De Predikant en de Steen
De steen, de stem en het verlies van een dochter
Het Geloof van Pfarrer Springorum
Jeugd en Roeping
Johannes Springorum werd in 1625 geboren in Dortmund, een stad die de sporen van oorlog droeg als littekens in steen. De Dertigjarige Oorlog had huizen verwoest, akkers onvruchtbaar gemaakt en families uiteengerukt. Kinderen groeiden op met verhalen van plunderingen en hongersnood. Voor Johannes werd de vergankelijkheid een vroeg besef: alles wat zeker leek, kon van de ene dag op de andere verdwijnen. In dat landschap werd geloof niet een keuze, maar een noodzaak.
Hij was de zoon van Reinhard Springorum en Catharina Vasolt. Terwijl velen het pad van koophandel of ambacht kozen, werd Johannes onweerstaanbaar naar de Schrift getrokken. Hij zag hoe woorden levens konden dragen. Een preek die mensen bijeenhield, een gebed dat het zwijgen bij een sterfbed verbrak – daarin school een kracht die hij wilde leren beheersen. Al jong wist hij: zijn weg zou niet de weg van het zwaard zijn, maar die van het woord.
Na zijn opleiding trad hij in 1663 aan als Pfarrer van Kirchende. Het dorp, klein en kwetsbaar, kende hem al snel als een man met ernst in zijn blik en toewijding in zijn stem. De kerk stond midden in de gemeenschap, zowel letterlijk als figuurlijk. Hier werden kinderen gedoopt, huwelijken ingezegend en doden begraven. Elke zondag klonk zijn stem in de gewelven: rustig, bedachtzaam, gedragen door de verwachting dat hij hoop kon bieden waar het leven haar niet gaf.
Pfarrer in Kirchende
Het predikantschap bracht meer mee dan de kansel. Het betekende ook bemiddelen bij burenruzies, het aanspreken van heren over belastingen, het uitdelen van brood aan wie honger had. Johannes droeg al die taken. Zijn schouders bogen onder de last, maar hij bleef staan. Hij kende de ogen van een moeder die haar kinderen verloor, het gebogen hoofd van een boer wiens oogst verdroogde. Telkens opnieuw moest hij woorden vinden, zelfs wanneer hij zelf leeg leek.
In 1659 was hij getrouwd met Clara Reinermann. Samen kregen zij zes kinderen. De pastorie was gevuld met stemmen, gelach en het geritsel van perkament. Johannes kende de vreugde van vaderschap, maar ook de voortdurende zorg. Elke koorts bij een kind kon het begin zijn van een afscheid betekenen. Hij wist hoe broos het leven was; de registers van zijn kerk stonden vol met namen die slechts korte levens vertegenwoordigden.
De zeventiende eeuw bracht geen rust. Epidemieën keerden in golven terug: pest, rode loop, koortsen zonder naam. Soms vulde de kerk zich tot barstens toe, mensen opeengepakt in angst en hoop. Johannes sprak dan geen sierlijke redevoeringen, maar woorden die recht uit de nood geboren waren. Hij hield de gemeente voor dat het lijden, hoe onbegrijpelijk ook, gedragen werd in een groter plan. Zijn preken waren geen oplossingen, maar ze boden een houvast, en vaak was dat genoeg.
Het Verlies
Het diepste litteken in zijn leven ontstond toen zijn dochter Anna Catharina, zeventien jaar oud, stierf. Zij was belofte en toekomst, de stem die door het huis klonk, het licht dat hun dagen verlichtte. Haar dood was niet alleen een persoonlijk verlies, maar ook een beproeving van zijn geloof. Hoe kon hij anderen troosten, terwijl zijn eigen woorden hem verstikten?
Voor haar werd een grafsteen gelegd in de kerk van Kirchende. Niet buiten op het kerkhof, maar binnen, in het midden van Gods huis. De steen was groot, zwaar, en diep gegrift met haar naam. Hij was eerbetoon en wonde tegelijk. Elke zondag liepen gemeenteleden eroverheen. Zij lazen de inscriptie, fluisterden haar naam. En boven die steen beklom Johannes de kansel, sprak hij over eeuwig leven terwijl de letters van zijn dochter onder zijn voeten lagen. Zijn ambt en zijn rouw waren onafscheidelijk verbonden.
De mensen zagen zijn verdriet, maar ook zijn standvastigheid. Hij bleef dopen, bleef bij begrafenissen spreken, herhaalde woorden die hij zelf nauwelijks nog kon geloven. Toch vonden anderen in zijn volharding kracht: als de Pfarrer dit kon dragen, konden zij dat ook. Zijn nachten waren donker. Clara kende de tranen die kwamen wanneer de kaarsen doofden. Hij bad, soms luid, soms in stilte, soms met enkel de leegte als antwoord. Maar iedere ochtend stond hij weer op, trok zijn gewaad aan en stapte naar de kerk. Zijn leven werd een ritueel van volharding.
De steen werd een teken voor de hele gemeenschap. Kinderen bogen zich om de letters te lezen, moeders fluisterden erover, vaders legden een hand op het koude oppervlak. Het was niet alleen de dochter van de predikant die gestorven was; het was een beeld van ieders kwetsbaarheid. Voor Johannes was de steen zowel last als kracht. Hij kon er niet omheen, maar in zijn nabijheid vond hij de woorden die anders ontbraken. Het gaf zijn preken een gewicht dat geen geleerd boek ooit had kunnen leveren.
Erfenis
Johannes diende Kirchende meer dan dertig jaar. Hij zag generaties opgroeien: kinderen die hij had gedoopt volwassen worden, huwelijken sluiten, hun eigen kinderen brengen om gedoopt te worden. Hij droeg de gemeenschap door oorlogsdreiging, ziekte en armoede. Zijn woorden overtuigden niet altijd, maar zij bleven klinken, en dat was vaak genoeg.
In 1694 stierf Johannes Springorum. Hij werd begraven in dezelfde kerk waar hij zijn hele volwassen leven had gepreekt, naast de steen van zijn dochter. Zijn zoon Johann Georg volgde hem op als Pfarrer, en zo bleef het ambt in de familie. De naam Springorum bleef verbonden met de kansel, met de kerk, met het dorp dat hij gediend had.
De steen van Anna Catharina is er nog steeds. Ooit lag hij in de vloer van de kerk, maar tegenwoordig hangt hij buiten aan de muur. Eeuwen later kunnen bezoekers de letters nog lezen, hun hand leggen op de verweerde steen, en zich voorstellen hoe een vader ooit boven deze naam stond te preken. Zo blijft het verhaal van Johannes Springorum niet slechts dat van een predikant in een klein Westfaals dorp, maar van een man die het gewicht van zijn gemeente droeg én het zwaardere gewicht van zijn eigen verlies.